In deze fase wordt de begeleiding individueler. Sporters krijgen meer verantwoordelijkheid, maar hebben nog altijd duidelijke ondersteuning nodig rond training, herstel, planning en keuzes.
De trainer helpt sporters beter kijken, voelen, beslissen en reflecteren. Feedback wordt specifieker en kan ondersteund worden met eenvoudige data, beeldmateriaal of wedstrijdobservaties, zolang dat in functie staat van ontwikkeling op lange termijn.
Ouders komen geleidelijk meer op de achtergrond. Ze ondersteunen vooral planning, vervoer, herstel en de combinatie met school en sociaal leven. De sporter communiceert steeds meer zelf met de trainer.
De nadruk ligt op leren en ontwikkelen, niet alleen op resultaten. Materiaalkeuzes en wedstrijdprogramma’s worden doordacht gemaakt en niet vanuit vergelijking of status.