In deze fase krijgt fysieke training iets meer structuur. De focus ligt op regelmatig leren trainen en bewegingskwaliteit behouden tijdens de groei.
Omdat veel jongeren rond de groeispurt zitten, kunnen coördinatie, mobiliteitsgevoel en technische controle tijdelijk veranderen. Dat is geen falen. Het behouden of opnieuw vinden van technische controle is in deze periode ook vooruitgang.
Krachttraining wordt een herkenbaar onderdeel van het trainingsprogramma. Sporters leren dat vooruitgang vraagt om oefenen, herhalen, herstellen en geleidelijk opbouwen.
De trainer bevestigt de basistechnieken en legt de nadruk op eenbenige controle, voet-, enkel- en kuitkracht, knie-, heup- en bekken controle, schouderblad functie en rompcontrole tijdens beweging. Sterke bewegingspatronen zoals squat, hinge, push, pull en rotatie die de jeugdatleten in de voorgaande fase grondig vervolmaakte, zorgen ervoor dat ze doorheen de groeispurt minder risico hebben op klachten.
Wanneer de uitvoering minder goed wordt of vermoeidheid, wordt de oefening aangepast. Dat kan door minder weerstand, minder herhalingen, een kleinere bewegingsuitslag, minder complexiteit of meer herstel. Bij klachten contacten we een zorgprofessional zoals de sportarts, zeker in de groeiperiode.
Mobiliteit wordt in deze fase actief opgevolgd. Het doel is niet om zo lenig mogelijk te worden, maar om voldoende bewegingsvrijheid te behouden voor zwemmen, fietsen, lopen en wissels.
De trainer kijkt naar functionele bewegingen zoals hurken, uitstappen, enkelbuiging, armbewegingen boven het hoofd, stroomlijn, fietspositie en landingshouding.
Geen blogs gevonden binnen Mobiliteit .