In deze fase wordt de wedstrijdcontext representatiever geoefend. Trainingen sluiten vaker aan bij wat de sporter in wedstrijden tegenkomt: tempo kiezen, positie bepalen, omgaan met drukte, materiaal gebruiken, wissels uitvoeren en lopen na het fietsen.
De trainingsopbouw blijft afhankelijk van motivatie, school, herstel, belastbaarheid en ambitie. Voor deze fase bestaan er richtvolumes tegen het einde van de fase, maar die zijn niet bedoeld als strak schema. Ze moeten altijd aangepast worden aan de specifieke context van de sporter.
Wedstrijden worden bewuster voorbereid, uitgevoerd en geƫvalueerd. Sporters leren een wedstrijdplan maken, keuzes onder druk uitvoeren en achteraf bekijken wat goed liep en wat beter kan.
Een wedstrijd is waardevol wanneer de sporter er iets uit leert over techniek, pacing, tactiek, materiaal, energieverdeling, herstel of mentale focus. Prestatie krijgt meer betekenis, maar blijft verbonden met langetermijnontwikkeling.